• Archief

Scheepswerf Den Breejen ontsnapt aan megaboete

DEN HAAG Het ministerie van Sociale Zaken heeft onterecht een boete van ruim 500.000 euro opgelegd aan scheepswerf Den Breejen in Hardinxveld. Dat heeft de Raad van State beslist in een hoger beroep dat was aangespannen door de scheepswerf en een Roemeense aannemer. Ook dat bedrijf kreeg een megaboete. Die is eveneens door de Raad van State van tafel geveegd.

Kern van het geschil was of de Roemeense aannemer alleen maar arbeidskrachten leverde of zelfstandig een grote klus uitvoerde in opdracht van de scheepswerf. In het eerste geval was een werkvergunning voor de Roemeense scheepsbouwers vereist, in het tweede geval niet.

Volgens het ministerie ging het om de levering van arbeidskrachten en omdat Den Breejen geen werkvergunningen voor die arbeidskrachten had aangevraagd, was er sprake van een grote overtreding. Aanvankelijk kwam de boete neer op bijna 800.000 euro. De Rotterdamse rechtbank verlaagde die naar ruim 500.000 euro.

ONVOLDOENDE BEWIJS De Raad van State oordeelt nu dat de minister onvoldoende bewijs heeft geleverd voor zijn standpunt dat het om de levering van arbeidskrachten ging. Volgens de Raad ligt de bewijslast bij het ministerie. Die moet met overtuigende bewijzen komen om een boete te kunnen uitdelen. Daar is de minister dus niet in geslaagd. Den Breejen krijgt het voordeel van de twijfel.

Deze zaak van Den Breejen werd met grote aandacht gevolgd door bedrijven die veel met buitenlandse arbeidskrachten werken. De Raad van State maakte er zelfs een principekwestie van. Ook rechters van de Hoge Raad en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven werden bij het oordeel betrokken om ervoor te zorgen dat de verschillende rechtbanken voortaan dezelfde juridische koers varen. De Raad wilde de spelregels voor het beboeten van illegale arbeidskrachten verhelderen.

ONDEUGDELIJK WERK Het ministerie is niet volledig in het ongelijk gesteld. Volgens de scheepswerf en de Roemeense aannemer hebben de inspecteurs van het ministerie ondeugdelijk werk geleverd met dubieuze ondervragingen van de scheepsbouwers.

Er zijn volgens de advocaten veel suggestieve vragen gesteld en antwoorden in de mond gelegd. Beëdigde tolken ontbraken bij de verhoren, waardoor de Roemeense arbeidskrachten niet goed begrepen wat hun gevraagd werd. Daarom kwamen de scheepswerf en de aannemer later met nieuwe verklaringen die wel met beëdigde tolken zijn opgesteld en aan een notaris zijn voorgelegd.

Maar de Raad oordeelt dat de wet niet verplicht om alleen met beëdigde tolken verhoren af te nemen. Het mogen ook gewone tolken zijn. Verder hebben de nieuwe verklaringen de Raad niet overtuigd. De inspecteurs zijn volgens de Raad ook niet in de fout gegaan. Ze hebben alleen te weinig overtuigend bewijs kunnen leveren.